Ik woon tegenover een hangplek. Daar komen dorpse jongeren gek doen, achter hun telefoon gamen, eerste sigaretjes roken. Ach, wat mis ik Maria. Ik had namelijk met een vroegere vriendin een hangplek bij een Mariabeeldje naast de kinderboerderij in Oosterhout. Een straatlantaarn, verlaten weggetje.
Nu denk ik bij zulke plekken aan verkeersongelukken die dodelijk kunnen aflopen, en ik denk aan die vriendin. Zij vond mij, evenals velen na mijn hersenletsel, kut. Te veel, too much. Ik weet niet. Ik vind het ook kut wie ik ben en ik had liever dood geweest.
Zo gaan dingen vaak in mijn hoofd. Waarneming/ constatering, linken aan vroegere of gelijke plekken, treurnis. Dat meisje wie ik vroeger was is dood. Haar dromen, haar toekomst. Ik ben afgekocht door een verzekeraar. Ik heb geen excuses gekregen van de jonge jongen die in zijn vaders auto reed toen hij me kapot maakte.
Ik heb best wel een hekel aan mensen in het algemeen door dit incident. Maar daarom reis ik graag. Hoe verder ik weg ben van Nederland, hoe vriendelijker mensen worden. Hoe verder ik weg ben van Bleiswijk, ook.
In dit dorp denken mensen namelijk exceptioneel bekrompen. Ik hoorde vanmorgen een buurman uit een rijtjeswoning een opmerking maken naar die leipe buurman met dat fel verlichte huis, twee veel te oud-thuiswonende dochters, werkloze vrouw, drie elektrische zoemmmmmmers. Alsof hij nog een compliment nodig had, alsof hij is wat wij allen zouden willen worden.
Ik ben blij met mijn ouders. Zij hebben me nuchter opgevoed met veel realiteitsbesef. Dingen waren zoals ze waren en als ik iets wilde, moest ik daar zelf voor werken.
Op mijn vijftiende werkte ik in het Pannekoeckershuijs in Den Hout, ik maakte schoon bij oude mensen thuis via een zorginstelling. Daarna werkte ik bij een Chinees restaurant, het Paradijs, en ik gaf bijles aan een dochter van de baas. Ik verdiende geld en werd ondersteund door mijn familie. Daar bovenop heb ik heel veel moeite gedaan om een kamer te vinden in Amsterdam, wat me tot twee keer toe is gelukt.
Ik heb daarna, op mijn eerste avond werken bij de ArenA een ongeluk gehad met de fiets. Ik fietste terug van het stadion naar mijn nieuwe kamer in Amstelveen. Ik vond het astronomisch wat ik zou gaan verdienen. Die avond rijdt Daniël Wedemeijer mij aan op de laatste meter van een tweebaansweg. Ik had geen fietsverlichting, maar het was nog niet donker. Het was een voorrangsweg. Weet ik veel wat knipperende stoplichten betekenen. Waarschijnlijk dacht ik ‘o, die ziet me wel’.
